42 Nederlandse musea gebruiken mogelijk roofkunst van joodse eigenaren

In negen musea of archieven in de stad ligt kunst die mogelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter is geroofd van voornamelijk joodse eigenaren. Dat blijkt uit de voorlopige resultaten van een onderzoek van de museumsector in opdracht van de Museumvereniging. Het onderzoek begon bijna tien jaar geleden.

Door het hele land deden musea vanaf 2009 onderzoek naar kunst die vanaf 1933 in de collecties terecht zijn gekomen. Het onderzoek Museale Verwervingen richtte zich op stukken die tijdens de oorlog van Joodse eigenaren werden geroofd, geconfisqueerd of die ze gedwongen moesten verkopen. Hieronder vallen ook kunstobjecten die onder verdachte omstandigheden zijn verhandeld sinds ’33 tot na de Tweede Wereldoorlog. Trouw meldde afgelopen week dat er in 42 Nederlandse musea mogelijk van Joden geroofde kunst hangt.

Wel of geen roofkunst?
In veel gevallen is niet met zekerheid te zeggen of het daadwerkelijk om roofkunst gaat. Om meer duidelijkheid te krijgen wordt er tijdens de onderzoeken gelet op verschillende criteria om de herkomst van een kunstobject te achterhalen. Zo is er gekeken naar kunst die tussen 1933 en 1945 in bezit was van joodse verzamelaars of handelaren, zonder dat precies duidelijk is of het kunstwerk vrijwillig is verkocht of geschonken. Er wordt ook gekeken of de stukken misschien van veilinghuizen, handelaren of particulieren komen die in die periode vaker roofkunst verhandelde. Dit was nog wel eens het geval bij kleinere Amsterdamse veilinghuizen. Ook anonieme schenkingen aan musea in de eerste jaren na de oorlog zijn ‘verdacht’.

Hoewel er nog veel onduidelijk is over de herkomst van ‘verdachte’ kunst, komen er ook veel schrijnende verhalen naar boven door het onderzoek. Zo ligt er in het Stadsarchief een collectie tekeningen van een Joods echtpaar. Nadat het paar zelfmoord pleegde in 1940 werden de tekeningen geconfisqueerd door de Duitse bezetter. In 1941 werden de tekeningen aangekocht door het Stadsarchief.